lundi 5 mars 2018

Wat ik mis in het Platform van de betoging van 24 maart : Geen strijd tegen het racisme zonder strijd tegen de oorlog.


Op 24 maart 2018 zullen we met zijn allen in Brussel betogen tegen het racisme. Vier dagen eerder, op 20 maart 2018, zal het precies vijftien jaar geleden zijn dat de Verenigde Staten hun tweede oorlog tegen Irak begonnen. Een oorlog die ze tot nu toe niet hebben gewonnen. Net zoals ze de eerste oorlog tegen dit land, die zeventien jaar eerder werd gelanceerd, hebben verloren.
De Verenigde Staten verloren de oorlog tegen Korea in 1953. Ze verloren de oorlog tegen Vietnam in 1975. Ze verloren de oorlog tegen Afghanistan, waarin ze na zeventien jaar oorlog nog altijd verstrikt zitten.

Voor degenen die al deze oorlogen lanceren, is het winnen van de oorlog niet het belangrijkste. Waar het er voor hen op aan komt is dat er oorlog is. Openlijke of sluipende oorlogen. Oorlogen zonder einde. Oorlogen buiten en binnen de grenzen. Een permanente staat van oorlog in de zwarte getto’s in de VS, waar de politie blindelings mag schieten en waar gangs een onderlinge broederstrijd voeren.
Voor hen die de oorlogen lanceren maakt het allemaal niets uit: het zijn de mensen onderaan, de armen, die de prijs betalen. Het zijn zij die sterven, in angst leven, hongerlijden en slachtoffer zijn van epidemieën als gevolg van embargo's en van de sloop van essentiële infrastructuur. Het zijn zij die gehandicapt zijn, voor het leven verminkt, zonder scholen, zonder drinkbaar water, wachtend op een paar uur "humanitaire corridor”, of bevoorrading uit de lucht, tussen de bommentapijten. Het zijn de boeren die op de mijnen lopen wanneer ze hun akkers gaan bewerken. Het zijn hun kinderen die nog steeds misvormd geboren worden, zoals in Vietnam, meer dan veertig jaar na het einde van de oorlog, ten gevolge van het sproeien van het ‘Agent orange’ gif door de VS.


Staat van permanente oorlog

Deze staat van permanente oorlog is niet een antwoord op het terrorisme dat door een paar duizend individuen gepleegd wordt. Het is net het omgekeerde: de staat van permanente oorlog is oorzaak en oorsprong van het terrorisme "van onderaf". De staat van oorlog is volkomen onmisbaar voor een wereldsysteem waar de orde, of beter de wan-orde, wordt bepaald door en voor een handvol miljardairs. Een geglobaliseerde wan-orde waarin "het stedelijke en het economische leven van de landen van het Noorden fundamenteel afhankelijk is van de landen van het postkoloniale (en soms neokoloniale) Zuiden".

Oorlogen zijn er niet alleen om de toegang te verzekeren voor het rijke Noorden tot de grondstoffen uit het Zuiden. Het gaat niet alleen om oorlogen "voor olie".
Oorlogen bieden een eersteklas afzetmarkt voor het militair-industriële complex: de Golfoorlog in 1991 liet hen toe om de gigantische bewapening te verkopen, die voorzien was om de inmiddels verdwenen Sovjet-Unie te bestrijden. Oorlogen zijn ook een immens uitvinderssalon, waar multinationals de efficiëntie van hun producten op de grond kunnen testen en bewijzen. Wist u dat de GPS voor de eerste keer werd gebruikt tijdens de eerste Golfoorlog? Alle ontwikkelingen van het internet hebben na deze oorlog een geweldige boom gekend. Is er een betere reclame voor technologie dan een zeer destructieve oorlog, met weinig slachtoffers aan de kant van de agressor? En vernietigen betekent ook heropbouwen: nieuwe lucratieve contracten in perspectief, ditmaal voor de lobby's van de bouwsector, de medische apparatuur, enz. Met de staatsgarantie voor de financiering is maximale winst gegarandeerd. En tenslotte maakt de oorlog het mogelijk om de ideologie van de supermacht die vecht “tegen de barbaren” te onderhouden en te ontwikkelen.
De eerste oorlog van de internationale coalitie tegen Irak in 1991 werd eerst voorafgegaan en later gevolgd door een embargo dat negentien jaar duurde en dat een ware catastrofe betekende voor het Iraakse volk. De twee oorlogen, die dit land hebben verwoest, hebben de infrastructuur, nodig voor de gezondheid en voor het economisch, sociaal en cultureel leven van de bevolking, volkomen vernietigd. Tegen het einde van de eerste oorlog tegen Irak was de elektriciteitsproductie gedaald tot 4% van wat ze was vóór de oorlog. De inlichtingendienst van het Amerikaanse ministerie van defensie voorspelde dat de oorlog zou leiden tot "een complete instorting van het Iraakse watervoorzieningssysteem". De combinatie van embargo en oorlog heeft Irak letterlijk teruggeschoten naar een pre-industriële situatie. En dit in een land dat voorheen functioneerde als een modern en technologisch vooraanstaand land. Alle voorwaarden voor een bewust geplande genocide waren aanwezig. Het verzet van het Iraakse volk tegen al deze ellende verbaasde de wereld. Het wekte bewondering op, maar voor de oorlogsmakers was het een teken dat een nieuwe oorlog noodzakelijk was.

En die vond twaalf jaar later plaats, terwijl de bevolking nog volop de impact van de eerste oorlog en van het embargo onderging. Studies over de gevolgen van het embargo en van de twee oorlogen tegen Irak variëren in hun schatting van het aantal slachtoffers: alleen al als gevolg van het embargo zijn er volgens de VN 1,7 miljoen Irakezen gestorven. In totaal wordt het totale aantal doden op meer dan vier miljoen geschat. Als het gaat om slachtoffers van de aanslagen in New York, Madrid, Londen, Parijs of Brussel, dan wordt het aantal doden en gewonden tot de laatste man, vrouw of kind, geteld en bekend gemaakt. Wanneer het gaat om het aantal doden ten gevolge van oorlogen en embargo's, dan variëren de schattingen met enkele honderdduizenden eenheden! Misschien is dit ook maar normaal: de vernietiging veroorzaakt door deze oorlogen staan ​​niet in verhouding tot het lijden veroorzaakt door de aanslagen. Ze zijn letterlijk onberekenbaar. We zijn en worden evenwel permanent gemobiliseerd tegen het "gevaar van aanslagen", maar nooit tegen de oorlog! Dit is de lijn die ook door het platform van de 24 maart-demonstratie gevolgd wordt. Het roept op tot het herdenken van de "slachtoffers van haat en terreur, in Brussel en elders", terwijl men de slachtoffers van oorlog en bezetting moeiteloos onder de mat veegt en vergeet. En waarbij men tegelijk het racistisch karakter van de strijd tegen het terrorisme vergeet: het afnemen van de Belgische nationaliteit, het systematisch viseren van gemeenten en  buurten met een moslimbevolking, herhaalde en gespierde huiszoekingen bij de families van jongeren die naar Syrië vertrokken, arrestaties en wekenlange gevangenzetting van "verdachten", die later worden vrijgelaten omdat ze totaal onschuldig zijn.

De “verontschuldigingen” van de socialist Tony Blair in 2016 over het feit dat hij zijn land de oorlog heeft ingestuurd en zo de dood van 179 Britse soldaten heeft veroorzaakt, waren gewoonweg shockerend.  Maar bij ons, en in heel het Noorden, is het nog steeds wachten op de eerste 'excuses' van partijen die het embargo en de oorlog hebben gesteund. Links in zijn geheel heeft sinds lang de strijd tegen de oorlog opgegeven als prioritaire en meest dringende strijd. Het stemt in met antiterrorismemaatregelen zonder te mobiliseren tegen hun ondemocratisch karakter en tegen hun - in de praktijk - islamofobe aard.

De "vijfde kolonne"

De steun van onze regeringen voor de eerste oorlog tegen Irak en voor het embargo heeft niet alleen dramatische gevolgen gehad voor het Iraakse volk en voor alle andere volkeren in de regio en voor het Zuiden in het algemeen. In onze landen betekende het ook de start van een islamofobe campagne die de moslimburgers voorstelde als de potentiële "vijfde kolonne”. Vanaf 3 september 1990, nauwelijks een maand na het begin van de eerste oorlog tegen Irak, schreef Charles Picqué, PS, minister-president van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, een brief aan zijn collega Valmy Loving, toen Eerste Minister van de Franse Gemeenschap, om hem te vragen op te treden tegen de Arabische vrije radio's. Hij rechtvaardigde dit als volgt, ik citeer: "op een verraderlijke manier wordt opgeroepen tot een noodzakelijke mobilisatie van de Arabische en moslim massa's tegen de VS en tegen het Westers imperialisme. We lopen zo het risico dat bevolkingsgroepen afkomstig uit de Maghreb in Brussel de straat op trekken, gemanipuleerd door onverantwoordelijke extremisten. Herinner u de demonstratie van april 1986, die volgde op de Amerikaanse bombardementen op Tripoli. De gevolgen daarvan zijn nog altijd voelbaar en de gevolgen van een nieuwe manifestatie zouden bijzonder nefast zijn, vooral voor mensen van Maghreb-origine.”
Het was de eerste keer dat een politicus de term "Arabisch-islamitisch" gebruikte. Het racisme is van doelwit veranderd: het gaat niet langer om "Marokkanen", om "buitenlanders" of andere kwalificaties, die nog minder vriendelijk zijn. 

Vanaf 1991 is de strijd tegen racisme onafscheidelijk verbonden met de strijd tegen oorlog. Wat de antiracisten niet vermelden in hun mobilisatie voor 24 maart. Het gaat er niet langer om op te roepen om ons “niet te verdelen”, of ons te beperken tot het oproepen tot het toekennen van “sociale rechten” (en in dit verband, waarom spreekt men niet meer over gelijke rechten in de centrale slogan?). Het gaat er vandaag voor alles om het recht te erkennen voor bevolkingsgroepen met een allochtone achtergrond om het Zuiden te verdedigen tegen de aanvallen van het Noorden en dit volgens de ideologie die zij hiervoor zelf kiezen.

We zullen zonder twijfel met velen zijn op 24 maart. Maar protesteren tegen het racisme zonder de band te leggen met de strijd tegen de oorlog die vandaag gevoerd wordt in naam van de strijd tegen het terrorisme - zowel buiten als binnen onze grenzen – zou volkomen inefficiënt zijn. Want we leven in een steeds meer oorlogszuchtige, gemilitariseerde, gecontroleerde maatschappij. Waarin onze kinderen en kleinkinderen leren schieten op de videogames die in de VS zijn ontworpen door het militair-industriële complex.

De militarisering van België

België blijft niet ten achter wanneer het aankomt op het handhaven van de geglobaliseerde wanorde. Sinds mei 2017 heeft België voor het eerst in zijn bestaan ​​een "wet voor de programmering van de militaire investeringen”, die loopt tot 2030 en 9,2 miljard euro aan militaire investeringen voorziet. Om die wet te verdedigen voor het Parlement, verklaarde Denis Ducarme (MR) dat "de wet voor de programmering van de militaire investeringen de meest ambitieuze investering is sinds het einde van de Koude Oorlog". Zoals ik al zei in het begin van dit artikel: we kunnen niet zonder vijanden…
In november 2017 liet de Ministerraad het Belgische volk weten dat het Belgische leger in 2018, voor het zeventiende jaar op rij, zal deelnemen aan de oorlog tegen het terrorisme. Het Belgische leger zal present zijn op drie frontlinies: in Afghanistan, Irak en Mali. Ons land verdubbelt zelfs zijn deelname. "België verdubbelt zijn militaire aanwezigheid in Irak. Volgend jaar zal het Belgische leger actief blijven in eenzelfde aantal landen, maar het aantal soldaten dat naar Irak wordt gestuurd zal aanzienlijk toenemen, als onderdeel van de trainingsmissie, advies en hulp aan de plaatselijke troepen. Om de missie van de NAVO in Afghanistan te versterken, zullen dertig extra soldaten worden ingezet.” En dan zijn er ook nog: de deelname van 230 Belgische militairen, van september tot december 2018, aan de "Enhanced Forward Presence" operatie (VET) in Litouwen, de militaire oefeningen van de NAVO tegen Rusland. En de “tijdelijke missies van vorming en training van de legers van Tunesië, Niger, Mauritanië, Burkina Faso, Niger, Mali en Benin.”

Zoals Martin Luther King in zijn eerste toespraak over Vietnam zei: "We moeten de hartstocht van onze beweging voor gelijke rechten doen samengaan met de vredesbeweging. We moeten betogen, onderwijzen, prediken…tot de fundamenten van ons land aan het wankelen worden gebracht ".



Aucun commentaire:

Enregistrer un commentaire